Red een kind
Tientallen Franse en Belgische gezinnen wilden oorlogswezen uit Soedan opnemen. Hun contactpersonen zitten nu wegens mensensmokkel vast in Tsjaad. Adoptie begint vaak met goede bedoelingen, maar heeft ook sinds het begin vragen opgeroepen.
![]() |
| Aankomst op Schiphol van zeven Cambodjaanse weeskinderen, 1975. |
'Al red je er maar één', zei schrijver Jan de Hartog in 1967 op de televisie. Hij sprak met presentatrice Mies Bouwman over zijn twee Koreaanse dochters. Vooral kinderen uit een relatie tussen een Aziatische moeder en een Amerikaanse soldaat hadden het moeilijk, vertelde hij. In hun geboorteland hoorden ze nergens bij en werden ze gediscrimineerd. De oproep van de schrijver had effect: de VARA werd platgebeld na de uitzending. Ruim duizend Nederlanders wilden weten hoe ze ook zo'n leuk Koreaantje konden krijgen.
Voor die tijd adopteerden kinderloze stellen vooral Nederlandse kinderen. Het kind wist vaak niet of het door een ongetrouwde moeder of een arm gezin was afgestaan. Maar vanaf 1960 steeg de welvaart in Nederland en raakte ongehuwd moederschap geaccepteerd. Echtparen die daardoor geen Nederlands kind meer konden krijgen, haalden een kindje uit het buitenland. Na de televisie-uitzending in 1967 kwam daar een nieuwe groep bij: mensen die arme kinderen wilden redden.
De kinderen van toen hebben nu vaak gemengde gevoelens over hun adoptie. Bijna een kwart van hen kreeg psychische problemen. De kinderen hebben moeite om zich te hechten en ervaren identiteitsproblemen. Inmiddels zijn er strenge internationale regels voor adoptie, zoals de Franse idealisten hebben gemerkt. Maar de vraag of de kinderen er écht op vooruit gaan, zal altijd blijven.











