Vreemd eten
Na wekenlange bootreizen ontdekten veel Nederlandse emigranten bij aankomst in Australië dat er helemaal geen banen of huizen waren. Ze werden ondergebracht in omgebouwde legerkampen en moesten zelf op zoek naar werk.
![]() |
| Nederlandse vrouwen in de keuken van het kamp Bonegilla, 1952 |
'Er stonden soldaten bij de hekken, als bij een concentratiekamp', beschreef de 12-jarige Rudy de aankomst in opvangkamp Bonegilla in 1952.
Bonegilla, nabij Melbourne, was het grootste opvangkamp. Gezinnen woonden in kleine cabines, soms jarenlang. Ze deelden smerig sanitair met het hele kamp. In de winter was het koud en modderig, in de zomer bloedheet. Veel privacy was er niet. De gebouwen stonden zo dicht op elkaar dat zelfs de liefdesgeluiden van de buren hoorbaar waren.
Per megafoon werden kerkdiensten en kantinetijden aangekondigd. Mannen en vrouwen aten gescheiden. Ze vonden het vreemde eten, schapenvlees en kool, maar smerig.
Werk was lastig te vinden. Mannen werkten vaak ver van het kamp en woonden gescheiden van hun gezin. Sommigen hadden verschillende banen tegelijk, als timmerman, aardappelsjouwer, fruitplukker of mijnwerker, om geld te sparen voor een stuk grond en een eigen huis.
Veel vrouwen waren eenzaam en ongelukkig, ze misten 'Hollandsche gezelligheid' en hun familie. Voor kinderen was de emigratie vaak wel een groot avontuur. Een meisje beschreef in haar dagboek enthousiast koala's die eucalyptusbomen kaal aten, veelkleurige slangen en haaienvinnen in de zee. Ze besefte wel dat haar ouders het niet makkelijk hadden: 'Vader werkt dag en nacht als papierprikker en schilder en moeder snapt niets van de taal.' De een paste zich sneller aan dan de ander. Eenderde van de Nederlanders keerde teleurgesteld terug naar Nederland.











