Kies, koos, gekozen
Alle Nederlanders van achttien en ouder, volwassenen met een EU-paspoort en mensen die vijf jaar legaal in Nederland wonen, mogen stemmen. Zo´n 150 jaar geleden konden Nederlanders voor het eerst dírect het bestuur van hun woonplaats kiezen.
![]() |
| Stemmen in 1971. Pas vijftig jaar daarvóór, bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1921 konden vrouwen voor het eerst kiezen. |
Tot 1851 stond de burgemeester aan het hoofd van een dorp of een stad. Er wás wel een gemeenteraad, maar die had weinig te zeggen. De vergaderingen waren besloten. Alleen mannen die veel belasting betaalden konden naar de stembus. In steden kozen zij leden van zogenaamde ´kiescolleges´. Die kiescolleges op hun beurt kozen de gemeenteraadsleden.
Met de Gemeentewet van 1851 veranderde er veel. Het aantal mensen dat mocht stemmen groeide, al kregen vrouwen pas in 1919 kiesrecht. De burgemeester bleef het gezicht van een gemeente, maar was niet langer de baas. De gemeenteraad kreeg het voor het zeggen. Bijeenkomsten van de gemeenteraad waren voortaan openbaar. De grootste verandering was misschien wel dat kiezers gemeenteraadsleden voortaan rechtstreeks kozen.
Maar hoe besliste je op wie je ging stemmen? Daarvoor kon je advies krijgen van kiesverenigingen, een soort voorlopers van de moderne politieke partijen. Tegenwoordig is het ondenkbaar dat één politicus bij meerdere partijen zou horen. Gek genoeg tipten toen verschillende verenigingen vaak dezelfde kandidaat. Met de oprichting van politieke partijen aan het einde van de negentiende eeuw kwam daar een einde aan.











