anno.nl  |  tijdsbeelden.nl  |  ohwatbenjemooi.nl  |  tweedewereldoorlog.nl  |  lesvanhetjaar.nl

Babymoord

Moord op pasgeborenen was vroeger, net als nu, gelukkig een uitzondering. Moeders die ten einde raad waren, legden hun baby eerder te vondeling.

Cornelis Cornelisz. Van Haarlem. 'De Bethlehemse kindermoord', 1590. Collectie Rijksmuseum
'De Bethlehemse kindermoord' van Cornelis Cornelisz. van Haarlem, 1590.

Een vondeling was meestal een buitenechtelijk kind. Ongetrouwde vrouwen probeerden hun zwangerschap verborgen te houden. Zij verloren anders niet alleen hun eer, maar ook vaak hun werk en dus hun inkomen. Om het kind goed terecht te laten komen, legden zij het op een plek neer waar het wel gevonden móest worden. Kerken en kloosters waren favoriet, maar ook ziekenhuizen of de stoep van rijke mensen. De vondeling kwam daarna in een weeshuis terecht, waar hij of zij werd gedoopt en een naam kreeg. Die naam verraadde vaak hun herkomst. Zo woonden in het weeshuis van Delft in de zeventiende eeuw kinderen als 'Jan van der Steech', 'Anneke van het Pothuis', 'Maritje van de Kerck' en 'Mozes van de Poort'.

Maar ook vroeger werden kinderen door hun moeder gedood. In 1640 was een Delftse moeder zo wanhopig dat zij haar pasgeborene probeerde te vermoorden. Anna Cristina Cransmüllerin gooide tot tweemaal toe haar kind dat nog 'in de luyre' was in het water. De baby werd twee keer gered. Anna Cristina ging het gevang in en kreeg een zware straf: geseling op het schavot en vijftig jaar verbanning uit Holland. Elf jaar later kwam dienstmeid Grietje Thijssen in de problemen. Zij verdronk haar baby en gooide het lijkje in het secreet, het toilet. Hoewel het een wanhoopsdaad was, kon Grietje nauwelijks op medelijden rekenen. Zij kreeg de doodstraf.