Tijd van televisie en computer
De Nederlandse samenleving is in de eerste helft van de twintigste eeuw in toenemende mate verzuild geraakt. Vier verschillende levensovertuigingen maken de dienst uit: katholieken, protestanten (en van hen met name de gereformeerden), liberalen en sociaal-democraten. Vooral in de jaren vijftig vormen de zuilen hechte vlechtwerken van organisaties die het hele leven van de eigen groep willen omspannen - van zuigelingenzorg, via scholen, vakbonden en omroepen tot en met begrafenisfondsen.
Verzuiling kan de tegenstellingen binnen een samenleving aanwakkeren, terwijl het na de Tweede Wereldoorlog juist dringend nodig is samen te werken aan de wederopbouw van het land. Dit lukt dankzij nauwe samenwerking tussen de leiders van de verschillende zuilen. Zo komt een succesvolle economische en sociale vernieuwing van Nederland tot stand.
Na de watersnoodramp van 1953 in Zeeland en omstreken, waarbij ruim 1.800 mensen omkomen, wordt begonnen met de aanleg van de Deltawerken. Nieuwe dammen en hogere dijken moeten het westelijk kustgebied beter beschermen tegen de zee.
![]() |
| Willem Drees. Prent in het bezit van het Iconografisch Bureau van het Rijksbureau Kunsthistorisch Documentatie, Den Haag |
Om de bevolking meer bestaanszekerheid te bieden, komt er een omvangrijk stelsel van sociale wetten. Premier Willem Drees (PvdA, 1886-1988) speelt hierbij een belangrijke rol, onder meer door de invoering van de Algemene Ouderdomswet (AOW, 1956). Later zullen onder meer de Bijstandswet (1963) en de Wet Arbeidsongeschiktheid (WAO, 1966) volgen.
Aan de stabiliteit van de jaren vijftig komt in de loop van de jaren zestig een einde. De zuilen vallen uit elkaar. Steeds meer mensen nemen de vrijheid er eigen overtuigingen op na te houden ('individualisering'). Snelle ontkerkelijking volgt. Introductie van 'de pil' leidt tot grotere vrijheid in de verhouding tussen vrouwen en mannen. De elite, uitgedaagd door opstandige jongeren, verliest aan gezag. De razendsnel opkomende televisie maakt zichtbaar dat conflicten ('polarisatie') het moderne leven tekenen, in plaats van samenwerking ('consensus').
De ontzuiling verandert ook het politieke leven. Politieke partijen kunnen niet langer rekenen op een stabiele achterban. Ze moeten op jacht naar steeds wispelturiger kiezers.
Nederland verandert sterk. In een van de drukst bevolkte landen ter wereld moeten in hoog tempo nieuwe huizen worden gebouwd en nieuwe wegen aangelegd. De economie ondergaat een ingrijpende wijziging. Boeren en middenstanders verliezen hun bestaansgrond. De 'oude' industrie, waaronder de scheepsbouw en de textiel, krimpt snel door zware internationale concurrentie.
Nieuwe werkgelegenheid ontstaat rondom Schiphol en de havens van Rotterdam. Nederland moet omschakelen naar een nieuwe economie met een groter gewicht voor moderne dienstverlening en technologie. Door deze omschakeling groeit het aantal werklozen en arbeidsongeschikten, terwijl ook de staatsschuld sterk groeit.
In 1982 wordt het Akkoord van Wassenaar gesloten: een nieuwe Pacificatie, deze keer tussen werkgevers en werknemers. Zij vinden elkaar in de opvatting dat de loonkosten naar beneden moeten om bedrijven weer internationaal te laten concurreren. Werkgevers maken deeltijdwerk mogelijk, in ruil waarvoor werknemers genoegen nemen met zeer matige loonstijging. Sommigen noemen het Akkoord van Wassenaar het begin van het poldermodel. Anderen vinden het mooier dit te zien als uitvloeisel van een eeuwenoude traditie van 'typisch Nederlands' overleg.
CDA-premier Ruud Lubbers (1939) speelt een belangrijke rol bij de totstandkoming van dit akkoord, evenals de PvdA-er Wim Kok (1938), vakbondsleider en later Lubbers' opvolger als premier. Beiden zetten zich in voor een ingrijpende economische en sociale bezuinigingspolitiek in de jaren tachtig en negentig.
Na verloop van tijd begint de economie weer te groeien. Onder het motto 'werk, werk, werk' stimuleert de overheid dat zoveel mogelijk mensen betaald werk verrichten. Het aantal deeltijdbanen groeit snel, vooral voor vrouwen. De economie moderniseert in hoog tempo, mede dankzij de communicatierevolutie. Iedereen begeeft zich op internet en begint elkaar mobiel te bellen.
Nederland raakt steeds meer vergroeid met Europa. Er zijn inmiddels 75.000 paginas wetten en regels uit 'Brussel' van kracht. Het symbool bij uitstek van deze nieuwe verwevenheid is de afschaffing van de nationale munt, de gulden, en de invoering van de euro per 1 januari 2002.
Ondanks de werkloosheid in de jaren zestig en zeventig zijn voor het ongeschoolde werk onvoldoende arbeiders te vinden. Grote bedrijven beginnen werknemers te halen uit landen rondom de Middellandse Zee, vooral uit Turkije en Marokko. Dit is het begin van een grootscheepse immigratie. In het midden van de jaren zeventig komen ook grote aantallen inwoners van Suriname naar Nederland, die geen vertrouwen hebben in de toekomst van hun onafhankelijke land. Ook van elders komen mensen, 'asielzoekers', naar het vrije, rijke Westen. In betrekkelijk korte tijd veranderen aard en kleur van de samenleving. Vooral in de Randstad ontstaat een multiculturele samenleving.
![]() |
| Turkse gastarbeiders arriveren op Schiphol, 1964. Nationaal Archief, Den Haag, Collectie Elsevier |
In tal van landen rijst protest tegen deze immigratie. Ook in Nederland valt dit geluid te horen, dat kort na het jaar 2000 steeds luider klinkt. Het vormt de achtergrond van brede steun voor een buitenstaander in de politiek, Pim Fortuyn (1948-2002), die in 2002 grote aanhang verwerft, maar vlak voor de verkiezingen wordt vermoord. Na de moord op de gebroeders De Witt in 1672 is dit de eerste politieke moord in vredestijd in de Nederlandse geschiedenis.
De verhoudingen in Nederland worden harder in de eerste jaren van de eenentwintigste eeuw. Voor de toelating van 'vreemdelingen' gelden nieuwe, strenge regels. De druk op aanwezige migranten neemt toe om 'in te burgeren'. Verschillende terroristische aanslagen in de wereld, waaronder die in New York en Washington op 11 september 2001, leiden ook in Nederland tot spanningen met de moslimgemeenschap. Die spanningen laaien op als in 2004 een moslim-extremist de filmmaker Theo van Gogh (1957-2004) vermoordt uit wraak voor diens scherpe kritiek op de islam.
De samenwerking van de Europese landen is economisch gezien een vrij groot succes. Maar deze samenwerking gaat nauwelijks gepaard met een gemeenschappelijke buitenlandse politiek. Bovendien is Nederland, vooral na het einde van de Koude Oorlog in 1989, beducht voor een kloof tussen Europa en de Verenigde Staten.
Aan burgeroorlogen in voormalig Joegoslavië moeten de Verenigde Staten ten slotte een eind maken. Buitengewoon pijnlijk is dat Nederland troepen levert voor een vredesmissie in Bosnië, maar in 1995 niet weet te verhinderen dat Serviërs bijna achtduizend moslimmannen uit Srebrenica vermoorden.
De Amerikaanse strijd in Irak, vanaf 2003, verdeelt Europa sterk. Engeland en Nederland steunen de aanval. Frankrijk en Duitsland verklaren zich ertegen.
Het is tekenend voor Nederland én Europa dat de verschillende landen worstelen met de vraag hoeveel onafhankelijkheid zij willen behouden en hoeveel zij wensen op te geven. Hoe dit ook verder gaat, een historische parallel valt wel te trekken. Zoals de Lage Landen ooit een gemeenschap vormden binnen het grote keizerrijk van Karel V, zo ontwikkelt Nederland zich nu steeds verder tot een welvarend maar klein gewest binnen een steeds grotere Europese Unie.
Dit is hoofdstuk 10 uit Kortweg Nederland, een uitgave uit 2005 van Anno en NRC Handelsblad en geschreven door Jan Bank, Gijsbert van Es en Piet de Rooy.
| Hoofdstuk 9 |












