Tijd van burgers en stoommachines
De democratische grondwet stelt in de praktijk aanvankelijk nog weinig voor. Nederland komt in de maalstroom terecht van de grote militaire avonturen van Frankrijks sterke man, Napoleon (1769-1821). De Fransen laten zich steeds meer gelden in Nederland. In 1810 volgt volledige inlijving bij Frankrijk.
|
| Koning Willem I. Prent in bezit van het Iconografisch Bureau van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD), Den Haag. |
|
| J.R. Thorbecke. Prent in bezit van het Iconografisch Bureau van het RKD. |
![]() |
| Schoolstrijd. Prent in bezit van het Iconografisch Bureau van het RKD. |
![]() |
| Abraham Kuyper. Prent in bezit van het Iconografisch Bureau van het RKD. |
![]() |
| Pieter Jelles Troelstra, ca. 1918. Nationaal Archief, Den Haag, Collectie Elsevier. |
Rusland, Oostenrijk en Engeland verslaan Napoleon in 1813. Prins Willem van Oranje (1772-1843), zoon van de laatste Oranje-stadhouder, keert uit ballingschap terug. Hij wordt 'soeverein vorst'. De Europese machthebbers beslissen op het Congres van Wenen dat Nederland zijn onafhankelijkheid terugkrijgt. Nederland en België worden zelfs verenigd in een Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I. Wanneer vervolgens Napoleon nog één keer weet op te rukken, neemt de kroonprins, later koning Willem II (1792-1849), deel aan de Slag bij Waterloo (1815). De prins raakt gewond en groeit dus uit tot held. Napoleon komt bij Waterloo definitief ten val.
Het verenigde koninkrijk blijkt geen succes. In 1830 komen katholieken en moderne liberalen in het zuiden in opstand tegen de overheersende koning en het arrogante noorden. België verklaart zich onafhankelijk. Nederland erkent deze afscheiding pas in 1839, waarmee de huidige grenzen van Nederland definitief vastliggen.
Aanvankelijk kost het grote moeite de economie van Nederland weer op gang te brengen. Het land heeft ernstig geleden onder alle oorlogen.
Nieuwe problemen lijken te ontstaan als in 1848 overal in Europa grote revoluties uitbreken. Luid klinkt de roep om meer politieke en sociale rechten (Frankrijk) en nationale eenheid (Duitsland). Om te voorkomen dat Nederland opnieuw in dit soort onrust terechtkomt, krijgt de liberale politicus J.R. Thorbecke (1798-1872) van een bezorgde koning Willem II de opdracht een moderne, 'democratische' grondwet op te stellen. Deze legt de basis van het politieke stelsel dat in Nederland nog altijd bestaat: een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel. De koning(in) handelt voortaan onder verantwoordelijkheid van de ministers. De macht van het parlement neemt sterk toe. Vooralsnog is het kiesrecht echter zeer beperkt: 2,5 procent van de bevolking mag meedoen aan verkiezingen.
Geleidelijk verwerven de liberalen een groter overwicht in het parlement. Allerlei handelsbeperkingen weten zij op te ruimen. De industrie streeft langzaamaan de handel en de landbouw in belang voorbij. Fabrieken verrijzen alom. Stoommachines nemen hierin een steeds belangrijker plaats in. Kanalen, spoorlijnen en telegraafkabels spannen een netwerk door het land. De economie groeit gestaag, de welvaart neemt weer toe.
In de tweede helft van de negentiende eeuw houden drie kwesties het land verdeeld. Om te beginnen is er de schoolstrijd. Orthodoxe protestanten (en katholieken) willen dat hun kinderen op een school 'met den Bijbel' worden opgevoed. Liberalen zijn hiertegen, omdat het volk dan verdeeld zou raken in rivaliserende groepen gelovigen. De strijd spitst zich toe op de vraag of de Staat subsidie moet geven aan christelijke scholen die gelovigen zelf mogen oprichten. Om dit af te dwingen, ontstaat de eerste politieke partij, de Anti-Revolutionaire Partij (ARP, 1878), opgericht door Abraham Kuyper (1837-1920). Andere groepen gaan nu ook politieke partijen oprichten om hun doelen te bereiken.
Dan is er de kiesrechtkwestie. Steeds luider klinkt de roep om uitbreiding van het kiesrecht, wat meer mensen een stem in de politiek moet geven. De meeste liberale politici zijn daar eerst niet voor, omdat zij armen en lager opgeleiden niet erg geschikt vinden om invloed uit te oefenen op de ingewikkelde politieke besluitvorming. Desondanks wordt, naarmate het opleidingspeil van de bevolking stijgt, het kiesrecht mondjesmaat uitgebreid, behalve voor vrouwen. Onder aanvoering van de eerste vrouwelijke arts, Aletta Jacobs (1854-1929), wordt hiervoor langdurig campagne gevoerd.
Tot slot is er de sociale kwestie. Het schamele lot van arbeiders vraagt dringend om verbetering. Uitbuiting moet worden voorkomen en bestreden, onder meer door een verbod op kinderarbeid (1874), een Arbeidswet (1889) en invoering van de leerplicht (1900). Betere woningen vergen subsidies van de overheid. De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) onder leiding van P.J. Troelstra (1860-1930) zal zich vanaf 1894 sterk maken voor de arbeidende klasse.
De buitenlandse politiek is neutraal. Nederland kiest zorgvuldig geen partij in de vele conflicten binnen Europa. In de tropische gebieden worden de koloniën intussen fors uitgebreid.
In Oost-Indië, het huidige Indonesië, komt een steeds groter gebied direct onder Nederlands bewind te staan. Het levert een krachtige bijdrage aan de Nederlandse economie, waaruit grote banken, handelshuizen en multinationals (Shell) voortkomen. Dit alles gaat gepaard met grootschalige onderdrukking van de 'inlandse' bevolking.
Met name op Atjeh (West-Sumatra) brengen de Nederlanders duizenden mensen om het leven. Ambtenaar/schrijver E. Douwes Dekker (1820-1887) tekent protest aan tegen deze praktijken, in de roman Max Havelaar (1860) die hij publiceert onder het pseudoniem Multatuli. In West-Indië, het huidige Suriname en de Antillen, wordt in 1863 na lange aarzeling de slavernij afgeschaft.
Nederland heeft veel te danken aan de Franse tijd. Voor het eerst wordt overal op dezelfde manier recht gesproken en belasting geheven. Maten en gewichten zijn voortaan overal hetzelfde. Er komt een burgerlijke stand en het onderwijs wordt nationaal geregeld.
![]() |
|
Een groep officieren tijdens de Atjeh-oorlog, 1896. Nationaal Archief, Den Haag, Archief A. Seret. |
Dit is hoofdstuk 8 uit Kortweg Nederland, een uitgave uit 2005 van Anno en NRC Handelsblad en geschreven door Jan Bank, Gijsbert van Es en Piet de Rooy.
| Hoofdstuk 7 |














