Verboden te winnen
Arbeiders krijgen aan het begin van de twintigste eeuw steeds meer vrije tijd, bijvoorbeeld om te sporten. Sommigen richten hun eigen sportclubs op.
![]() |
|
Demonstratie voor de wereldvrede van deelnemers aan de Arbeiders Olympiade. Wenen, 1931. |
![]() |
|
De meisjesgymnastiekclub van de SDAP Den Haag, 1916. |
Zo'n eigen sportclub was in de eerste plaats natuurlijk bedoeld om arbeiders een beetje op te voeden met de arbeidersidealen als solidariteit, vrede en bestrijding van het kapitalisme. Daarnaast had de NASB ook ideeën over het sporten zelf. Het ging er vooral om dat je samen bezig was en niet speciaal om te winnen. De bond hield geen standen bij, reikte geen medailles uit en was tegen records en sporthelden. Alcohol was de vijand van de sport en werd vaak verboden, zelfs na de wedstrijd!
Het hoogtepunt van de arbeiderssport waren de Olympische Spelen voor arbeiders, de Arbeidersolympiades. Tienduizenden arbeiders kwamen in 1931 bijeen in Wenen en in 1937 in Antwerpen. Ook hier ging het vooral om het gevoel van samen sporten en niet om de medaille. Bij de wedstrijden klonken niet de nationale volksliederen, maar alleen de 'Internationale', het socialistische strijdlied.
Na de Tweede Wereldoorlog hielden de sportbonden op te bestaan. Ze verloren steeds meer aan populariteit ten opzichte van de burgersportclubs, die vaak op hoger niveau sportten en beter materiaal hadden. Misschien waren de verschillen tussen arbeiders en gewone burgers dan ook niet zo groot, als de vakbonden ooit dachten. Ook bij de arbeider ging het uiteindelijk gewoon om de winst en het biertje na afloop.
| Dit artikel werd geschreven door Eric de Ruijter van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en verscheen eerder op Cultuurwijs.nl. |












